Gisteren spitte ik het wetenschappelijk tijdschrift Quest door en tot mijn verbazing en geluk kwam ik een hele rij bladzijden tegen waar het over de ruimte, het universum, ging. Uitgebreid werd en stilgestaan bij de vraag wat de mensheid nou eigenlijk wist van de ruimte en … helemaal niet tot mijn verbazing is dat wel heel weinig. Er is in de loop van de jaren heel veel in geinvesteerd maar het geld heeft weinig opgeleverd. Het wordt echt tijd dat er eens een groep onderzoekers voor een paar jaar de ruimte in reist om goed en zorgvuldig om zich heen te kijken. .Opvallend vond ik wel het grote aantal mensen dat gelooft in andere levende wezens in de ruimte en zelfs in ruimteschepen van andere planeten. Vooral mannen geloven daar in.Nu ben ik ook een man en met veel plezier heb ik dan ook het boek van Jules Verne gelezen over de reis naar de maan. Daarbij gebeurde heel wat meer dan bij die tochtjes van meneer Bezos maar ja die heeft meer geld dan lef waarschijnlijk.
Met nog meer plezier heb ik het boek “Waren de goden kosmonauten” gelezen waarin wordt gesuggereerd dat de voorouders van de mensheid van een andere planeet stamden. Met alles wat ik over de ruimte te horen heb gekregen bloeiden in mijn hoofd heel nieuwe beelden op. Beelden van gewoon menselijk leven op een andere planeet en beelden van mensen aan boord van een ruimteschip. Mensen die gewoon voelen en denken als mensen zoals wij ze kennen. Sommigen hebben heel slechte gedachten, anderen hebben het beste met hun omgeving voor, Natuurlijk ontmoeten zij ook in de ruimte andere levende wezens. Soms is het met hun goed toeven en soms ook helemaal niet. Fantasie, ja, maar bij mij is fantasie een heel duidelijk instrument dat beelden en verbanden bedenkt en legt zoals het past in de menselijke logica. Zo ontstaan er mensen en situaties die soms duidelijk op ons vooruitlopen.
In mijn roman Mende vinden ze een verfsoort uit die zonne(sterre-)energie kan opvangen zodat er altijd middelen zijn om het ruimteschip voort te laten gaan of de woning te verwarmen. Voor mij was het dan ook leuk om te ontdekken dat een paar jaar na het verschijnen van mijn boek wetenschappers inderdaad aan het zoeken waren naar zo’n lak. Dan denk ik altijd: je kunt fantasie wel allemaal onzin noemen maar zonder fantasie kom je geen stap vooruit!Ik hoop dan ook dat mijn romans getiteld ”Mende” en “Fata Gamorna, de thuisreis van de prinses “bij veel mensen de fantasie uitdaagt. Veel lees- en gedachtenvormingsplezier! Echt fantastisch!Statistieken weergeven0 BerichtbereikLeukOpmerking plaatsenDelen
Diep in hun hart willen alle kinderen graag weten waar hun ouders vandaan komen. Vroeger of later gaan zij naar die plek op reis. Maar…hoe zit dat nou als je op een andere planeet geboren bent? Dan zul je dus een reisje naar de aarde moeten maken. Vijftienhonderd jonge mensen doen dat in dit verhaal. Zij vertrekken van hun planeet Mende en gaan 10 jaar op reis naar de aarde. Onderweg doen zij gewoon hun werk ook al gebeuren er veel vervelende en angstaanjagende dingen, aan boord van het ruimteschip maar ook daarbuiten. Ook veel opvallende en verwonderende dingen trouwens en heel leuke en natuurlijk is er liefde en vriendschap. En dan komen ze aan op aarde en daar…. ja….lees het boek Fata Gamorna, de thuisreis van de prinses.
Het was dringen. Geen wonder, ze waren niet de enigen! Er gingen niet dertig maar wel vijftienhonderd mensen mee met de Arkeban, allemaal op zoek naar avontuur of….de grote ontdekking van de bron, de herkomst. Uiteindelijk kwamen alle mensen op Mende immers van de aarde.
In het ruimteschip stonk het…dat viel Bob wel op maar hij wist nog niet zo goed waar de lucht vandaan kwam. Hij keek naar Harre die best weleens de bron zou kunnen zijn na de afgelopen nacht! Harre keek niet naar hem, hij staarde uit over de mensenmenigte en de mensen die langs de kant stonden. Hij staarde en tuurde, Bob zag het aan hem, hij wilde kijken of zijn ouders en zusje naar de vertrekplaats, Veederburcht, waren gekomen. “Die vind je nooit”, meende Bob en hij streek eens over zijn kale hoofd. “Straks krijg je een scherm voor je. Daar kan je zien of je familie hier naartoe is gekomen om afscheid te nemen. Harre zuchtte en keek zijn vriend knikkend aan. “Ik ben bang dat je gelijk hebt maar ik heb het gevoel dat ik nooit goed afscheid van ze heb genomen.“ Bob haalde zijn schouders op. ”Dan gaat het niet alleen om jou maar ook om hun. Hebben zij wel moeite gedaan?” Zijn vriend was even stil maar even later klonk zijn stem weer vermoeid. “Mijn moeder denkt dat ik hier wegga omdat ik het leven op Mende maar niks vind maar dat is niet zo.” Bob grinnikte. “En waarom ga je dan weg?” Harre liet een puffend geluid horen. “Precies om dezelfde reden als jij, omdat ik wel eens iets anders wil, een tijdje.” “Misschien zijn de vrouwen op aarde wel mooier”, grapte Bob en de beide jongens schoten in de lach. Ze waren inmiddels in de Arkeban aangekomen en moesten hun tickets laten zien. De blonde mevrouw die ze vluchtig bekeek, wees een plaats aan. “Gaat u maar naar de verzamelplek”, zei ze op een haast droevige toon. “Plaats tweeëntwintig en vierentwintig.” Ze leek de woorden bijna in te slikken maar de beide jongens konden haar toch nog net verstaan. Ze vroegen zich dan ook meteen af waarom er geen oneven nummer bij was gegeven maar daar kwamen ze al gauw achter. Van meet af aan waren vrouwen en mannen streng gescheiden van elkaar, behalve de echtparen. De vrouwen hadden de oneven nummers. “Vrouwen! Ondeelbaar”, grijnsde Harre en Bob proestte het uit zonder commentaar.
Tot zijn stomme verwondering zag Bob veel mensen met grote pakken door de gangpaden sjouwen en dat terwijl er duidelijk was gezegd dat er slechts beperkt plaats was voor bagage. Waarom ook? Het was toch veel beter om op aarde de noodzakelijke spullen aan te schaffen? Hij verbaasde zich ook over de krapte van de stoelen. Zou het overal zo zijn? Hij kon zich dat niet goed herinneren. “Het lijkt wel zo’n ouderwets vliegtuig”, grapte hij tegen zijn vriend. “Ja”, mopperde deze. “Zelfs de beenruimte is hier nauwelijks groter. Bij de eerste kennismaking was dat volgens mij anders.” Hij zwaaide naar een groepje jongeren op de voorste rij. “Studievrienden”, lachte hij. Intussen dwaalden zijn ogen ook langs de rijen met vrouwen. Zou er iets te beleven zijn, de komende jaren? “Ik zie al een paar leuke koppies”, fluisterde hij tegen Bob die nu ook meteen naar de ‘vrouwenafdeling’ keek. “We gaan ons best doen”, lachte hij maar hij schrok meteen toen hij een hand in zijn nek voelde. “Ook al bezig met de veekeuring?” fluisterde een stem in zijn oor. Met een ruk draaide hij zich om en zo keek hij midden in het gezicht van Forghart Wamerhorn, een afstammeling van een beroemde expeditieleider op Mende. De man en zijn vrouw Oriana hadden twee zoons gekregen. Forghart, de jongste, had zijn vader nooit gekend. Hij was geboren na de dood van zijn vader en hij stond in Hertenborgh bekend als een dwarsligger en grapjas. Bob kon het niet schelen, er zouden wel zeikerds genoeg aan boord zijn. “De veekeuring?” hij sprak het woord bedachtzaam uit. “Misschien ja, maar ik zou toch nog liever eens tussen de rijen doorlopen.” De jongens lachten met z’n tweeën want Harre hoorde hen niet. Hij tuurde naar het levensgrote scherm in de zaal. Er was nog niets te zien maar straks zouden ze vast uitleg krijgen. Hij kon niet wachten, het was gewoon een verschrikkelijk spannende dag. Hijkeek om zich heen terwijl hij zijn geduld oefende, zijn ogen tastten het hoge plafond af en de hoge, grijze wanden. Er was niets aan gedaan om het schip van binnen gezellig of leuk te maken. Verderop waren de straatjes met de appartementen maar daarvan kon hij vanaf deze plek maar bar weinig zien. Van tijd tot tijd keek hij ook even naar Rob naast hem maar die had helemaal geen belangstelling voor de omgeving. Die zat alleen maar rond te kijken en te zoeken naar bekenden, zo leek het. Harre had gelijk. Bob had de lijst met reizigers nauwelijks doorgelezen. Hij had alleen maar gekeken of er namen van mensen bij stonden die hij niet mocht: twee waren er. Dat was niet genoeg reden om niet mee te gaan naar de blauwe planeet. Twee eikels, dat was te overzien!
Een hard geschetter eiste nu de aandacht op. Op het toneel stonden drie trompetters, een groep violisten, een pianist en een drummer. Gek genoeg begonnen ze meteen met een kinderliedje waarvan iedereen de laatste regel kende “En dat mannetje/meisje ben JIJ”. Bob zag hoe oude en jonge mensen in de zaal hun tranen lieten vloeien. Was het nu pas duidelijk dat ze voor tientallen jaren afscheid zouden nemen van hun geboorteplaneet? Voor sommigen zou het misschien wel voorgoed worden. Hij haalde zijn schouders op. Sommige mensen moesten echt over alles janken, ze waren banger voor dat wat ze achterlieten dan vrolijk over wat komen zou. Hij begreep daar niets van. Wat was er mooier dan de toekomst? Met een schuin oog keek hij naar Harre. Die keek stil voor zich uit en begon pas te bewegen toen het orkestje een populaire meezinger begon te spelen en het duurde niet lang of hij brulde mee. Het was duidelijk dat hij de tekst niet kende maar zijn basstem klonk er prachtig bij. In combinatie met de zwaaiende, wilde lokken van Bob was het één groot feest om te horen en te zien. Op de achtergrond hoorde Bob ook de anderen zingen, vooral de meisjesstemmen vielen hem op. Het orkest zette een nieuw nummer in en deze keer liet hij zich niet meer weerhouden, stond hij op en zwaaide hij met zijn armen en zo deed de hele rij en de ene na de andere rij volgde. De muziek hield niet op, de nummers volgden elkaar in rap tempo op en opeens….een harde klap op het drumstel, het licht ging uit en alleen de spotlights op het podium floepten aan en daar stond de Oegoer, Weemer, de kleinzoon van de eerste Oegoer, Ramold. Weemer boog voor het grote publiek. “Ik buig voor u want u doet een wijze stap. U gaat het avontuur aan, u kiest nieuwe wegen en u gaat op zoek, op zoek naar uw wortels.” Even keek hij zwijgend de zaal rond. “Grappig”, ging hij verder. “Eigenlijk ken ik u allemaal, ik ben u allemaal weleens tegengekomen, ik heb u allemaal weleens gesproken en dat geeft me een goed gevoel. Onze gemeenschap is hecht en overzichtelijk. Ik heb het voorgevoel dat het op aarde daaraan ontbreekt. Daar wonen vele miljoenen mensen in uitgestrekte steden, veel mensen die de wereld laten bruisen maar elkaar niet kennen. Ik heb het gevoel, u gaat het ervaren, zoals zoveel andere, nieuwe dingen. Ik hoop dat u allen vindt wat u zoekt en….” even liet hij een stilte vallen. “En dat u ons laat meedelen in uw geluk daarginds. Het ga u goed!” Drieduizend handen zorgden voor een klaterend eerbetoon aan de Oegoer die nog een keer boog en daarna razendsnel achter het enorme scherm verdween. Daar vertoonde zich inmiddels een meer dan levensgroot gezicht van de gezagvoerder, Melan Vogelzwang die ooit uit het dorpje Navringen naar de stad Hertenborgh was verhuisd omdat hij een mooie loopbaan wilde. De man met zijn bijna kale hoofd maar lange, zwarte baard stond in werkelijkheid bij één van de hoeken van het scherm en begon langzaam te spreken. “ U allen zult mijn gezelschap zijn tijdens de komende tien jaar”, zei hij. “ U allen zult ook elkaars gezelschap zijn, het enige gezelschap. Een enkeling zal nevelen en ons voor goed verlaten, een andere enkeling zal juist uit de nevel tevoorschijn komen en ons aanvullen met jeugdige onschuld. We hebben een kleine gemeenschap maar hopelijk één die tegenstellingen kan overbruggen.” Hij kuchte even zachtjes over zijn schouder en ging toen verder. “Zo meteen zullen onze gastvrouwen en –heren u naar uw appartement brengen. De mannen hebben even nummers, de dames hebben oneven nummers en echtparen hebben een gecombineerd nummer dus bijvoorbeeld 1122, 1144, 1166 /1167 enzovoorts. Mocht er iets niet duidelijk zijn, vraag uw gastvrouw of –heer. We zullen elkaar niet veel spreken of zien. De vertrekken van bemanning en reizigers zijn streng gescheiden maar…i hoop dat wij allen een mooie en boeiende reis zullen meemaken.” Hij knikte kort, draaide zich met een ruk om en verdween om de hoek van het scherm in de wetenschap dat hij zijn passagiers tien jaar lang niet of nauwelijks zou zien. De appartementen van de bemanning lagen in een afgesloten eenheid van het schip. Na hem sprak nog Belber Fap, de Moden, de hoofdbestuurder van de reizigersgemeenschap. Hij maakte duidelijk dat hij openstond voor nieuwe plannen en mogelijkheden. “We willen dat iedereen zich ook de komende tien jaar thuis voelt”, meende hij.
Sinds een paar weken is Mende uit, de opvolger van de Annalen van Gamor. Mende speelt op een andere planeet en vertelt hoe de mensen aan hun bijzondere omgeving wennen en hoe zij omgaan met hun vreemde omgeving en de gevaren en bedreigingen. Een actueel verhaal in deze tijd waarin zoveel aandacht is voor ruimtereizen. Mende is verkrijgbaar in elke boekwinkel en bol.com
De Annalen van Gamor is de titel en de auteur heet Kaj Elhorst. Het boek biedt 361 bladzijden leesplezier in een schitterende kaft van Anne Elhorst-Van Leeuwen.
Wie is Kaj? Hij werd in 1946 middenin de zomer geboren en die zomerse sfeer hielp hem aan een vrolijke geest, fantasie en spelgenoegen. Al op vijfjarige leeftijd maakte hij zijn eerste verhalen. Hij tekende die op in zelfverzonnen tekens en liet die aan zijn familie lezen. Toen de mensen zeiden dat ze er niets van konden lezen, zei hij: “Die tekens van jullie begrijp ik ook niet dus dat blijft hetzelfde.”
Tot aan zijn dertiende woonde hij in Winschoten en hij voelt zich grotendeels nog steeds een Winschoter hoewel hij inmiddels in Almelo, Deventer, Hoevelaken, Amersfoort en Blaricum heeft gewoond en nu in Alphen aan den Rijn woont sinds 1979.
In zijn ‘werkzame’leven is hij leraar geschiedenis en Nederlands, PR stafmedewerker bij de PTT en freelance journalist geweest. In de vrije uren was hij cabaretier, schrijver en dichter. Tegenwoordig is hij schrijver en stadsdichter van Alphen aan den Rijn tot 8 september van dit jaar. Hij is getrouwd, heeft twee zoons en een dochter en is groot dierenvriend. Vrijwel zijn hele leven heeft hij al katten in huis. Daarnaast wandelt hij graag en in de wat betere jaargetijden maakt hij heel graag lange fietstochten. Dat heet iets te maken met zijn verlangen naar avontuur en nieuwe vergezichten. Reizen doet hij ook graag en na herhaaldelijke bezoeken aan Schotland, Griekenland, Cyprus en centraal Europa staat ook een reis met de Transsiberieexpreas op zijn verlanglijst.
De Annalen van Gamor gaat over een volk in de ijstijd dat dictatuur ervaart maar ook veel contacten met andere culturen en de zoektocht naar een nieuw woongebied. Onder leiding van Kalam trekt een groot deel van het volk van de Harz naar Attika in Griekenland. Onderweg verandert er veel. Het volk leert nieuwe technieken kennen en ook de cultuur verandert. Dat heeft te maken met de verhouding tussen mannen en vrouwen en de religieuze opvattingen. In de loop van het verhaal passeren woede, gestoorde personen, haat, vergevingsgezindheid en liefde. Onze hedendaagse samenleving dus in andere omstandigheden. Herkenbaar en wonderbaarlijk tegelijk!Een aanrader, zonder meer!
Ik heb een hekel aan herkenbaarheid in de kunst en toch, soms is het juist de bedoeling dat iets herkenbaar is. Ik moest daaraan denken naar aanleiding van een kunstwerk in Alphen aan den Rijn op het Raoul Wallenbergplein. Het huidige kunstwerk is in de ogen van veel Alphenaren een onding. Daarom wil het gemeentebestuur een nieuw kunstwerk plaatsen.
Het huidige kunstwerk geeft de contouren weer van het stadhuis dat vrijwel direct aan het plein ligt. Dat was de inspiratie en opzet van het werk. Het probleem is dat Alphenaren noch bezoekers van de stad dat door hebben. Je m oet enige oefening hebben in het aandachtig en beschouwelijk bestuderen van kunstwerken om het te zien. Dat is veel mensen niet gegeven en je krijgt er ook weinig tijd voor bij het passeren van een rotonde. Door zijn onherkenbaarheid trekt het huidige kunstwerk ook weinig aandacht behalve bij mensen die denken: wat een bezopen, raar ding is dat! Wie kunst wil zien om over na te denken en te peinzen, moet naar een museum gaan. Kunst op de openbare weg is voor iedereen en moet dus heel directe herkenning en gevoelens opwekken
Nu zijn er diverse beter herkenbare kunstwerken ontworpen die herkenbaarder zijn waaronder een bronskleurige poort met opschrift die sterk terug grijpt op het Romeinse verleden van de stad. Als welkomstgroet lijkt die mij verreweg het meest aantrekkelijk. Alphenaren kunnen ervoor stemmen via onderstaande link:
Het was me wel weer wat, de afgelopen week, de hele toetand rond twee kinderen die nog niet eens met hun puberteit zijn begonnen maar soms heel verstandig lijken te praten. Verstandiger dan al die verwarde mannen en vrouwen die tegenwoordig in dit land de touwtjes in handen hebben. Het hele gerotzooi over immigratie waar ze maar niet uitkomen doordat de één nog grotere waanzin uitschreeuwt dan de ander. Immigratiepolitiek van Europa had al in 1948 bedacht moeten zijn omdat immigratie een verschijnsel is dat zich periodiek voordoet, de hele geschiedenis door. Is het niet naar Europa toe, dan wel in andere richtingen. In feite was het hele kolonialisme vanuit Europa ook niet meer dan immigratie in andermans land. Maar nee hoor, de Europese Unie en de flapdrollen van nationale kabinetten laten zich verrassen door immigratie. De dommigheid die daaruit spreekt, is al net zo helder als de dommigheid wereldwijd rond drugs. Eigenlijk hadden we het kunnen weten dus, maar goed.
In feite is het allemaal heel simpel. De hele geschiedenis door is al bewezen dat zogenaamde potdichte grenzen niet helpen, het terugbrengen naar de plaatsen van herkomst is ook geen middel en dus moet je een gedegen immigratiepolitiek hebben:
– iedereen toelaten
– iedereen een cursus Nederlands en Nederlandse cultuur laten volgen
– wie zich niet gedraagt naar waarden en normen die hier heersen, gaat de bak in
– wie na drie jaar geen werk heeft, blijft in de sociale werkplaats, met de mogelijkheid te solliciteren naar een andere baan.
Nu zullen er wel mensen zijn, die denken ‘maar moeten we dan al die nieuwkomers hier zo maar toelaten?’ Ja zeker, tenzij ze graag terug willen want hoe meer tegenstand ze ervaren, hoe meer scheldwoorden ze naar hun hoofd krijgen, des te vervelender worden ze. Dat is begrijpelijk. Zo zouden wij zelf ook reageren.
De hypocrisie van dit moment zit in de tranen die op het ogenblik over twee kinderen worden vergoten, de ruimhartigheid die plotseling van alle kanten toestroomt terwijl een groot aantal mensen eigenlijk het liefste iedereen met een vreemde kom af het land uit zou zetten. In de praktijk is dat onbegonnen werk maar dat beseffen sommigen niet.
Krijgen we dan geen ‘Islamisering’ van de samenleving? Waarom zou dat gebeuren? Omdat ergens een moskee staat? Nee, die islamisering zal geen plaatshebben zolang wij in ruime mate tonen hoe mooi onze waarden en normen van vrijheid en respect zijn, deze voortdurend laten blijken en toepassen. Dan zullen ze worden overgenomen door tal van immigranten. Zo zal over 30 jaar hier geen samenleving zijn waarin orthodox Islamitische opvattingen de toon aangeven maar één waarin vooral jongeren met een buitenlandse afkomst gretig hun vrijheid aanvaarden!
Natuurlijk, jemoet altijd zien een overtreding in het verkeer te voorkomen. In een enkel geval kan zoiets echter toevallig of per ongeluk ontstaan en dan is het al mooi als er geen ongeluk uit voortkomt. Zeker is dat de overheid er alles aan doet de ongelijkheid op dit gebied te bevorderen, onder het mom van gelijkheid.
Ik ga dat nu even heel scherp stellen. Kortgeleden werd ik geflitst voor het rijden door rood licht, een lelijke overtreding waaraan in eerste instantie een boete van 239 euro is verbonden. Die negen euro is voor de juffrouw die de brief verstuurt. Dit bedrag is voor talloze Nederlanders een lelijke belasting en aanslag op hun portemonnee, vooral als je bedenkt dat er JSF’s voor worden gekocht in plaats van zorgplekken in een tehuis, maar dat terzijde. Vooral voor de middenklassen is het een belasting. Deze rijden aanmerkelijk meer auto dan de lager betaalde groepen in de samenleveing omdat deze laatsten helemaal geen geld hebben voor een auto. Voor de hoger betaalden is de het boetebedrag een lachertje en haast een reden om nog eens een extra fles champagne te drinken met vrienden ergens en vervolgens in de auto te stappen. Men kent iedereen dezelfde boete toe onder het mom van ‘gelijkheid’ maar iun de praktijk is dat kletskoek. Een multimiljonair die 239 euro boete moet betalen verslikt zich in zijn borrel van het lachen! Voor een gemiddelde Nederlander betekent het twee weken boodschapen minder.
Daar komt bij dat er kennelijk wel wordt gelet op degenen die door rood licht rijden terwijl op de snelweg de auto’s die veel te hard rijden, je om de oren vliegen. Daar let niemand op, zo blijkt. Anders zouden mensen niet zoveel gas geven. Kortom: van gelijkheid geen sprake en aan oplettendheid ontbreekt het volledig.
Nogmaals, het is beter om geen overtredingen in het verkeer te begaan maar het zou pas mooi zijn als de overheid er op een heldere, oplettende en vooral eerlijke manier mee om zou gaan. Overigens: im kan dit allemaal wel betalen maar het is even zo goed ronduit ergerlijk.Eigenlijk vind ik dat iemand die maar eens in de 10 jaar op een overtreding wordt betrapt, een bonus verdient!
Een rijbewijs, het bewijs dat je rijdt, ja dat zie ik ook wel maar HOE rijd je? Heel vaak heb ik er alleen maar last van! Idioten op de weg genoeg die me snijden, geen richting aangeven, veel te hard rijden, bumperen, vrachtwagens die me van de weg rijden en ga maar door. Als je het aan mij vraagt, is de auto achterhaald. Het ding moet weg na 150 jaar. Er zijn inmiddels ook alternatieven genoeg mits de overheid er eens een keer zonder dralen ruimte aan geeft. Zowel voor personen- als voor vrachtverkeer zijn er bijna geluidloze en veel minder ruimte in beslag nemende technieken. Laat ze zich bewegen op zonne-energie, die is in beginsel gratis want de zon vraagt geen vergoeding.
Hier hebben we meegemaakt hoe er drie jaar lang aan een provinciale weg is gewerkt maar het heeft geen duidelijke verbeteringen opgeleverd. De overheid vond die aanpak belangrijker en goedkoper dan de aanleg van een lightrail tussen Rotterdam en Haarlem, via Schiphol. Nou, ik geloof er niets van. Bovendien is er in Alphen een brug gebouwd, de Maximabrug die geen enkel voor deel oplevert maar tientallen miljoenen heeft gekost. Die lightrail, op zonne-energie, daar zouden we echt iets aan hebben gehad! Tegelijkertijd moeten mensen die de hele dag op hun bureau werken, leren dat het geen enkele zin heeft om met de auto te reizen! Dat scheelt pas echt, is milieuvriendelijker en zelfs voor de overheid goedkoper! De auto is niet meer dan een archaisch overblijfsel dat in het museum thuishoort. Klaar met die handel, wegwezen en een goed, uitgewerkt en gedetailleerd ov systeem ervoor in de plaats! Wie daar niet aan mee wil doen is echt beTOETERD!
Je hoort het vaak. Mensen die in de samenleving erg dwarsliggen hebben te maken gehad met grote problemen in hun jeugd of zitten diep in de ellende en de armoede. Je zou het dan ook bijna van mij gaan denken maar het tegendeel is waar. Ik heb grotendeels een bevoorrechte en mooie jeugd gehad en echte armoede heb ik nooit gekend al waren er jaren dat het allemaal wat ‘minder’ was. Mijn vader was hoger ambtenaar en verdiende rond 1950 900 gulden in de maand. Dat was niet erg veel maar ook niet weinig en het salaris werd in de zestiger jaren al gauw fors opgetrokken en ook in de jaren daarna.
Dat neemt niet weg dat ik één van de grootste en breedste dwarsliggers van Nederland ben. Hoe dat komt? Het zit in de eerste plaats in mijn DNA. Mijn ouders hadden al moeite met mij en noemden mij ‘onhandelbaar’. Ik zei al heel gauw hetzelfde van hun, dat dan ook weer. Ik had de neiging in mijn gedrag alles te doen en te volgen wat niet gangbaar was. Altijd volgde ik de weg van het avontuur. Een belangrijke breuk had plaats toen ik veertien was. In dat jaar overleed mijn moeder. Tot die tijd had ik bij alles met beide voeten altijd nog op de vloer van huis en gezin gestaan, ook bij elk avontuur. Daarna bleef ik staan maar wel werd alles wankeler. Mijn avonturen gingen verder en verder en ik was zelden nog thuis. Op de fietsen later op brommer en motrdoorkruiste ik de wereld. Waar ik ook kwam, steeds weer zag ik kans elk probleem op te lossen, op mijn manier maar veel anderen accepteerden dat. Ik ging immers meestal ook weer weg en dan waren ze verlost van die lastpost? Zo leerde ik dat met een beetje nadenken en toneelspel alles tot een goed einde te brengen was.
Tegelijkertijd kwam ik erachter dat voor bijna alles de meest krankzinnige regels bestaan. Regels waar bijna niemand blij mee is omdat ze de vrijheid beperken en het ene probleem op het andere stapelen: wachttijden, procedures, onderzoeken, invallen terecht of onterecht, verslaglegging en noem het maar op. Bovendien merkte ik in die jonge jaren al gauw hoe gemakkelijk leidinggevende personen aan anderen kunnen duidelijk maken dat iemand anders gevaarlijk is. Daarbij hoeft er geen sprake te zijn van werkelijkheid maar een reeks van angstwekkende suggesties is veelal genoeg. Een duidelijk voorbeeld in de politiek van deze tijd is de gang van zaken rond de MH17 en de gifgasaanslag in Londen. De overheid maakt ons op grond van namaakonderzoek duidelijk dat het allemaal de schuld is van de Russen. Waarom? Om een op angst gebaseerd eenheidsgevoel te scheppen. Kijk, tegen zoiets kan ik ook beheerlijk tekeer gaan, niet vanwege mijn achterstandssituatie maar juist op basis van een bevoorrechte levensloop die mij een heldere kijk heeft gegeven op samenleving en politiek/bestuur. Toch leuk he, dat je ook dwarsligger kunt worden, zonder zielig te zijn! En ik zeg maar zo: een goed spoor heeft dwarsliggers hard nodig!